FAVV - Bijenteelt : Dierengezondheid (2023)

FAVV - Bijenteelt : Dierengezondheid (1)

Acariose, Amerikaans vuilbroed, Europees vuilbroed, de kleine bijenkastkever (Aethina tumida) en de tropilaelapsmijt zijn de ziekten of schadelijke organismen die zijn vermeld in het KB van 3 februari 2014 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987 en tot de regeling van de aangifteplicht. Het gaat om zgn. «aangifteplichtige ziekten»

Elke bijenhouder wiens kolonies ervan verdacht worden aangetast of besmet te zijn door een van deze ziekten moet hiervan onmiddellijk aangifte doen bij de Lokale Controle-eenheid (LCE) waarvan de bijenstand afhangt.

3.1 Amerikaans vuilbroed

  • Situatie in België
  • Verwekker
    Amerikaans vuilbroed is een bijenziekte die wordt overgebracht door een sporenvormende bacterie, Paenibacillus larvae. De sporen kunnen zelfs in extreme omstandigheden (droogte en koude) gedurende tientallen jaren overleven. Jonge larven (tot 2 dagen) zijn het gevoeligst voor de ziekte. Oudere larven worden alleen aangetast bij een vrij hoge infectiedruk. Volwassen bijen worden helemaal niet aangetast maar geven de ziekteverwekker wel door. Amerikaans vuilbroed kan de productiviteit gevoelig doen dalen en het bijenvolk doen wegkwijnen.
  • Symptomen
    De volgende symptomen kunnen wijzen op Amerikaans vuilbroed:
    • dun broed met gesloten cellen, open cellen en cellen met resten van aangetaste larven,
    • cellen met ingezonken celdeksel,
    • openingen in een aantal celdeksels,
    • celdeksels zijn donkerder van kleur dan normaal,
    • gronderige leemachtige geur,
    • inhoud van aangetaste cellen is dradentrekkend en stroperig (luciferproef),
  • Verspreiding
    Besmetting via de sporen kan gebeuren bij:
    • het voeren van besmette honing of besmet stuifmeel,
    • het binnenbrengen van vreemde bijen,
    • gebruik van tweedehands materiaal of besmet materiaal,
    • het zwermen.
    De sporen worden overgebracht door het poetsgedrag van de bijen en tijdens het voeden van de larven.
  • Preventie en bestrijding
    Het risico op besmetting kan op een aantal manieren worden verminderd:
    • niet voeden met honing of stuifmeel van onbekende oorsprong,
    • geen raten of ramen van onbekende oorsprong gebruiken,
    • nagaan of het broed geen gebreken vertoont,
    • contact met andere bijenvolken beperken.
    Als de kolonie ervan verdacht wordt aangetast of besmet te zijn, moet de bijenhouder daarvan onmiddellijk aangifte doen bij de Lokale Controle-eenheid (LCE) waarvan de bijenstand afhangt. De LCE stuurt dan de assistent voor de bijenteelt ter plekke. Die neemt monsters en stuurt ze op naar het Sciensano.
    Wanneer wordt vastgesteld dat een kast door Amerikaans vuilbroed is aangetast, moet de LCE waarvan de bijenstand afhangt onmiddellijk worden verwittigd.
    Als de monsters positief zijn (sporen bevatten) wordt de besmette kolonie ofwel geruimd ofwel wordt een kunstzwerm gemaakt. Er wordt door het FAVV in samenwerking met de burgemeester een beschermingsgebied met een straal van 3 km rond de uitbraak afgebakend. Het is verboden bijen te vervoeren binnen het beschermingsgebied en de andere volken worden onderzocht om eventuele besmettingen te kunnen opsporen. De bijen en het materiaal van de imker mogen het beschermingsgebied niet verlaten.

3.2 Europees vuilbroed

  • Situatie in België
  • Verwekker
    Europees vuilbroed is een bijenziekte die wordt veroorzaakt door Melissococcus plutonius, een niet-sporenvormende bacterie. Alleen jonge larven (tot 2 dagen) zijn er gevoelig voor. Zij worden dan ook zeer snel ziek. De cellen waarin zij zich bevinden hebben geen deksel meer. Poetsende bijen raken besmet en besmetten de larven tijdens het voeden.
  • Symptomen
    De volgende symptomen kunnen wijzen op Europees vuilbroed:
    • gevlekt broedpatroon,
    • larven worden geelachtig of bruinachtig van kleur,
    • dode larven verdrogen tot makkelijk te verwijderen schilfers,
    • min of meer uitgesproken rottingsgeur of azijngeur.
  • Verspreiding
    Besmetting kan gebeuren:
    • door bijen die de cellen poetsen,
    • door het binnenbrengen van vreemde bijen,
    • door gebruik van tweedehands materiaal of besmet materiaal.
  • Preventie en bestrijding
    Er zijn verschillende manieren om het risico op besmetting te verminderen:
    • materiaal geregeld ontsmetten,
    • geen raten en ramen van onbekende oorsprong gebruiken,
    • de toestand van het broed geregeld controleren,
    • contact met andere bijenvolken beperken.
    Als de kolonie ervan verdacht wordt aangetast of besmet te zijn, moet de bijenhouder daarvan onmiddellijk aangifte doen bij de Lokale Controle-eenheid (LCE) waarvan de bijenstand afhangt. De LCE stuurt dan de assistent voor de bijenteelt ter plekke. Die neemt monsters en stuurt ze op naar het Sciensano. Als de resultaten positief zijn (ruimen of kunstzwerm) wordt door het FAVV in samenwerking met de burgemeester een beschermingsgebied met een straal van 3 km rond de uitbraak afgebakend. Binnen het beschermingsgebied is het verboden bijen te vervoeren en worden de andere volken onderzocht om eventuele besmettingen te kunnen opsporen. De bijen en het materiaal van de imker mogen het beschermingsgebied niet verlaten.

3.3 Acariose

  • Verwekker
    Acariose (of acarapisose) is een bijenziekte die wordt veroorzaakt door de Acarapis woodi mijt. Die mijt is een inwendige parasiet die voorkomt in het ademhalingsstelsel van de bij en vooral leeft in de eerste thoraxtrachee van de bij en zich daar vermenigvuldigt. Bijen die nog geen 10 dagen oud zijn, zijn het meest ontvankelijk.
  • Symptomen
    De besmetting wordt pas in een gevorderd stadium zichtbaar, doorgaans vroeg in de lente.
    De volgende symptomen kunnen wijzen op acariose:
    • bijen met gezwollen achterlijf,
    • bijen die zich vastklampen aan grassprietjes of zich voortslepen,
    • diarreesporen,
    • moeilijk vliegen.
  • Verspreiding
    De besmetting verspreidt zich via direct contact tussen volwassen bijen.
    • Preventie en bestrijding
    Als de kolonie ervan verdacht wordt aangetast of besmet te zijn, moet de bijenhouder daarvan onmiddellijk aangifte doen bij de Lokale Controle-eenheid (LCE) waarvan de bijenstand afhangt. De LCE stuurt dan de assistent voor de bijenteelt ter plekke. Die neemt monsters en stuurt ze op naar het Sciensano. Als de monsters positief zijn, wordt door het FAVV in samenwerking met de burgemeester een beschermingsgebied met een straal van 3 km rond de uitbraak afgebakend. Binnen het beschermingsgebied is het verboden bijen te vervoeren en worden de andere volken onderzocht om eventuele besmettingen te kunnen opsporen. De bijen en het materiaal van de imker mogen het beschermingsgebied niet verlaten.

3.4 Varroase (niet meer aangifteplichtig sinds 21/03/2014)

  • Varroabestrijdingsadvies 2016.
  • Varroabestrijdingsadvies 2017.
  • Varroabestrijdingsadvies 2018.
  • Varroabestrijdingsadvies 2019.
  • Varroabestrijdingsadvies 2020.
  • Varroabestrijdingsadvies 2021.
  • Varroabestrijdingsadvies 2022 (Didactische versie)
  • Varroabestrijdingsadvies 2023
  • Begeleiding door dierenarts

3.5 Aethina tumida : kleine bijenkastkever

  • Verwekker Aethina tumida is een kleine kever, 5 tot 7 mm lang en 3 tot 5 mm breed (1/3 van een bij), bruinrood van kleur vlak na het uitkomen, zwart bij volwassenheid. De roomwitte larven zijn ongeveer 1 cm lang. Zij voeden zich moet broed, stuifmeel, honing. Als ze de maturiteit bereiken, verlaten ze de kast en graven zich in de grond in (10 à 30 cm) waar ze hun gedaanteverwisseling ondergaan.
  • Symptomen
    • kleinere oogst,
    • aangetaste, door de bijen verlaten ramen,
    • ondergang van het volk,
    • sterke geur: gistende honing.
  • Verspreiding
    De verspreiding gebeurt door:
    • uitwisseling van bijen in verpakking, zwermen,
    • ramen,
    • was,
    • vruchten,
    • de grond,
    • vluchten van volwassen exemplaren over afstanden van soms meer dan 5 km.
  • Preventie en bestrijding
    Als de kleine bijenkastkever er eenmaal is, kan hij niet meer worden uitgeroeid.
    Bij bezoek aan de bijenstand, Aethina zoeken in de niet-verlichte delen van de kast en in de scheuren met afval dat niet door de bijen wordt verwijderd.
    De invoerprocedures moeten nauwgezet worden nageleefd.
    Wanneer besmetting van de kast door Aethina wordt vastgesteld, moet de Lokale Controle-eenheid (LCE) (zie adres in contact) waarvan de bijenstand afhangt, onmiddellijk worden verwittigd.

Informatiefiche (PDF) over de kleine bijenkastkever (©ANSES).

Opduiken van de kleine bijenkastkever in Italië.

Nieuw : update situatie : 11/12/2018 worden sommigen haarden vastgesteld in Zuid-Italie.
In 2014 dook de kleine bijenkastkever voor het eerst op in Zuid-Italië. Sindsdien werden al verschillende tientallen haarden vastgesteld in het beschermingsgebied dat werd ingesteld in Calabrië en Sicilië, waarbij zowel volwassen kevers als larven werden aangetroffen.

Het gevaar op binnenbrengen van de kleine bijenkastkever door de invoer van bijen uit aangetaste gebieden is reëel. Elke verplaatsing van bijen en hommels moet sowieso met de nodige voorzichtigheid gebeuren en is aan bepaalde regels onderworpen (zie ook punt 6 – invoer).

Invoer vanuit de aangetaste regio’s in Italië (Calabrië en heel Sicilië) is verboden.

Waakzaamheid voor de kleine bijenkastkever.

Update situatie kleine bijenkastkever in Zuid-Italië (11/12/2018)

3.6 Tropilaelaps sp

  • Verwekker
    Tropilaelaps is een mijt die bijen uitwendig parasiteert. Tot het geslacht Tropilaelaps behoren twee voor soorten die bij onze bijen ziekten verwekken: clareae en koenigerum.
    Die mijten zijn ongeveer 1 mm lang en parasiteren de larven en nimfen. Ze zijn bruinrood van kleur en worden soms aangetroffen op volwassen bijen waar ze slechts 3 dagen kunnen overleven.
  • Symptomen
    Uitwendige parasiet die zich voedt met hemolymfe. De symptomen lijken op die van Varroa:
    • misvormingen aan vleugels, poten en achterlijf,
    • onregelmatig broed waarin de sterfte kan oplopen tot 50%.
  • Verspreiding
    De besmetting gebeurt wanneer koninginnen worden binnengebracht. De verspreiding gebeurt eveneens door volwassen exemplaren. Tropilaelapsmijten zijn erg mobiel en kunnen zich binnen het volk bewegen.
    De grootste verspreider is de imker (verplaatsen van volken, ramen, enz…).
  • Preventie en bestrijding
    De tropilaelapsmijt kan makkelijk worden onderscheiden van Varroa (breder dan ze lang is en groter), vooral met behulp van een vergrootglas. Omdat Tropilaelaps larven en nimfen aanvalt kan de diagnose makkelijker worden gesteld. Omdat de levenscyclus die van Varroa benadert, kunnen opsporingsmethoden worden toegepast.
    Bestrijding is mogelijk bij middel van technieken die bij voorkeur in perioden zonder broed worden toegepast omdat Tropilaelaps zich niet kan voeden op volwassen bijen.
    Er moeten voorzorgen worden genomen met betrekking tot het binnenbrengen van nieuwe bijen of het gebruik van tweedehands materiaal. De invoerprocedures moeten nauwgezet worden nageleefd
    Wanneer infestatie van een kast door de tropilaelapsmijt wordt vastgesteld, moet de Lokale Controle-eenheid (LCE) waarvan de bijenstand afhangt onmiddellijk worden verwittigd.
Top Articles
Latest Posts
Article information

Author: Msgr. Benton Quitzon

Last Updated: 04/10/2023

Views: 6113

Rating: 4.2 / 5 (43 voted)

Reviews: 82% of readers found this page helpful

Author information

Name: Msgr. Benton Quitzon

Birthday: 2001-08-13

Address: 96487 Kris Cliff, Teresiafurt, WI 95201

Phone: +9418513585781

Job: Senior Designer

Hobby: Calligraphy, Rowing, Vacation, Geocaching, Web surfing, Electronics, Electronics

Introduction: My name is Msgr. Benton Quitzon, I am a comfortable, charming, thankful, happy, adventurous, handsome, precious person who loves writing and wants to share my knowledge and understanding with you.